Je bent hier:
Home > Visuele handicap > Ervaringen en meningen > Blind verveelt nooit
Noot: dit opstel heb ik in december 2001 voor Nederlands geschreven.
Kom ik bij nieuwe mensen in de klas, komen er nieuwe mensen op het kinderkoor of leer ik anders nieuwe mensen kennen, dan vragen ze steevast hoe het is om blind te zijn, meestal nog voorafgegaan door de vraag wat ik nou eigenlijk zie, als ze weten dat ik nog iets zie. “Blind verveelt nooit,” is een uitspraak uit een interview met de blinde cabaretier Vincent Bijlo op radio 1 een paar maanden geleden, en - al sloeg het dan in het interview op het interviewen van blinden - het zou misschien een prima motto zijn om deze levensbeschrijvende tekst mee te beginnen. Nou vind ik mijn eigen leven interessant genoeg - wat al te interessant misschien - en daar blind (mij) nooit verveelt, zal ik dat dan maar doen.
Midden in de nacht op vrijdag 27 juni 1986 - dat is drie maanden te vroeg - ben ik geboren en heb dus daarna de tijd uitgelegen in de couveuse. Toen ik een halfjaar oud was, kreeg mijn moeder te horen dat ik waarschijnlijk blind was. Later bleek dat ik - zo kon je dat toen nog noemen - slechtziend was. Maar toch ben ik vanaf m’n derde naar de peuterspeelzaal en later naar een gewone basisschool gegaan. Na twee jaar ging ik daar weg en naar het speciaal onderwijs: de Prinses Margriet Francisca school in Rotterdam (later Convergo Rotterdam). Ik heb daar nog een jaar met gewoon schrift (vergroting) gewerkt en ging toen braille leren, hoewel men dat niet ontzettend goed kon op die voornamelijk voor slechtzienden bedoelde school. In 1996 zouden we vanuit Rotterdam naar Apeldoorn verhuizen, dus vanaf het schooljaar 1995/1996 ging iknaar Bartiméus in Zeist. Daar heb ik beter en sneller braille geleerd en de basisschool afgemaakt. Omdat ik nog niet naar een gewone school mocht (daarvoor is toestemming van het speciaal onderwijs nodig), ging ik nog een jaar naar Convergo Grave (nu Sensis), naar de brugklas mavo (geen hoger niveau mogelijk) en tenslotte zit ik nu al voor het derde jaar op het Apeldoorns Gymnasium.
Voor ik zes was, was ik al naar de PMF gegaan en kwam daar in groep drie terecht, hoewel ik nog in de kleutergroep zat. Het schooljaar daarop moest ik dus (weer) naar groep drie (de aanvangsgroep) en leerde met zwartdruk lezen en schrijven. Algauw mocht ik met sommige vakken vooruitwerken, wat goed uitkwam, omdat ik een jaar later braille moest leren en dus alles weer opnieuw moest doen. Ik leerde dus vanaf m’n zevende braille, wat ik de eerste jaren absoluut niet uit kon staan. Was er iets vervelender dan dat gepriegel met die verschrikkelijk kleine puntjes op dat braillepapier, terwijl ik nog gewoon zwartdruk lezen kon? Ik deed nog het liefst zoveel mogelijk met gewoon schrift, maar omdat ik steeds slechter ging zien, moest ik vanaf het einde van het schooljaar 1993/1994 alles in braille doen. Snel was anders en het lezen bleef dat laatste jaar op de PMF (en later) een belangrijk onderwerp. Verder kreeg ik NIET de beloofde aardrijkskunde en geschiedenis, die ik 9in die tijd leuk vond, omdat ik me behoorlijk begon te vervelen met de stof van groep vier/vijf (de middenbouw). Maar daar we in januari ’96 zouden verhuizen, ging ik toch weg, en, zo was beloofd, groep zes op Bartiméus was ook echt groep zes.
Ik ging dus naar Bartiméus, waarbij de opmerking werd gemaakt dat ik, als het niet goed ging, van groep zes terug zou gaan naar groep vijf. Dat is niet gebeurd, terwijl ik me dat eerste jaar ook niet heb verveeld. Wat schijnbaar ook bij het speciaal onderwijs hoorde, hoewel de PMF dat niet had, was echter het op eetgroepen eten: in een groep van je eigen leeftijd of je eigen zelfstandigheidsniveau (en dat verschilde bij mij nogal!) eten onder begeleiding van twee vrijwilligers. Wat mijn ouders daaraan ergerde was het bemoeien met de opvoeding en de christelijke manier daarvan; wat mij ergerde, was het feit dat ik tussen kinderen van groep drie en vier zat, die dan tot overmaat van ramp ook nog eens een kwartier langer mochten buitenspelen! Toch ben ik in dat jaar op een soort mixclubje (allerlei activiteiten) gegaan en daar na drie maanden weer vanafgegaan, overigens. Het jaar daarop was het op school al wat saaier, maar gelukkig had ik toen een juf die mij en een andere jongen uit de klas samen vooruit liet werken, omdat wij de stof van groep zeven al konden. Waar het de eetgroep betrof, zat ik bij kinderen van m’n eigen leeftijd, maar de christelijke opvoeding en bemoeizucht was er alleen maar erger op. Daar kwam bij dat het speciaal onderwijs blijkbaar in groep zeven onderzoeken houdt “om te kijken of je nog wat te wensen hebt”, zoals het werd gezegd, wat ertoe diende een advies uit te brengen over al dan niet naar een gewone school gaan na de basisschool. En dat schoot bij mijn ouders in het verkeerde keelgat; na groep acht zou ik weggaan van die school. Overigens mocht ik, ook na second opinion, niet naar een gewone school.
Het schooljaar 1998/1999 op Convergo ervaar ik, tegen de verwachting en misschien wel de hoop van mijn ouders in, als een leuke tijd. Ik had het nooit erg gevonden dat ik blind was en door de nieuwe vakken en het mogen vooruitwerken viel het met het vervelen in het begin wel mee. Daarbij kwam dat ik na een maand al niet meer naar de eetgroep ging, waardoor het bemoeien met de opvoeding ook minder was. Tja, mijn ouders voeden mij zelf op, vandaar. Dat ik die tijd altijd leuk gevonden heb, kwam misschien ook wel, omdat wij als klas, en soms met 2- en 3-mavo allerlei dingen organiseerden die eigenlijk niet thuishoren in de beschermde omgeving van het speciaal onderwijs: dat werd voor je gedaan. Want het speciaal onderwijs is nou eenmaal over beschermend naar die “zielige” blindjes, die moeten worden “klaargestoomd voor de maatschappij” toe. Maar het feit dat ik mavo deed moest toch ooit belangrijk worden, en dat werd het ook, zodat ik me toch verveelde en blij was dat ik het volgende schooljaar (al was je dan meteen een stuud) naar het gymnasium mocht, want het was eindelijk goed.
Als gehandicapte moet je natuurlijk wel zelfstandig zijn. Dat is één van de weinige positieve specialiteiten van het speciaal onderwijs: daar wordt veel aandacht aan besteed. Ondanks dat ik in die tijd een hekel had aan het stoklopen, kopjes terugbrengen bij zelfstandigheidstraining en leren typen, ben ik er nu wel blij mee het te hebben geleerd.
Natuurlijk heb ik het ook aan de hulpmiddelen en de hulp van m’n ouders enzovoort te danken dat ik nu in 3-gym zit. Het gebruik van een computer met brailleleesregel is uiterst handig bij lezen en schrijven voor school. Dan hoeft niet alles eerst weer naar Amsterdam om van zwartdruk in braille te worden omgezet en andersom, zodat het sneller en gemakkelijker gaat. Dan is er natuurlijk nog de taststok (meestal gewoon blindenstok genoemd), die ervoor nodig is om obstakels te voelen, ook weer om zelfstandig te kunnen reizen. Maar op de vraag of ik later een geleidehond zou willen, antwoord ik altijd dat ik daar niet aan moet denken, omdat ik niet van honden houd.
Misschien toch wel vanwege m’n hadicap doe ik aan geen enkele sport, maar dat wil absoluut niet zeggen dat het maar saai is. Muziek, leesboeken en vooral m’n schrijfwerk hebben al genoeg de plek van een sport ingenomen, en daarbij één keer in de week het kinderkoor. Als ik schrijf, doe ik dat het liefst niet over blinden, want waarom zou je alleen maar over “mesen zoals jij” moeten schrijven? En als iemand zich afvraagt of ik zoveel schrijf, omdat ik blind ben? Welnu, dat weet ik niet, want ik ben al m’n hele leven slechtziend en nu zo goed als blind en misschien had ik dat ook wel gedaan als ik goede ogen had. Ik ben echt niet naar iets gaan zoeken wat ik een beetje kon en waarbij je niet hoefde te kunnen zien. Wat hobby’s en vrije tijd betreft blijft er ten slotte nog genoeg over wat je zonder ogen kan.
Al met al hoeft het leven met slechte ogen dus helemaal niet zo extreem anders te zijn dan als je goed kan zien, behalve misschien dat je wat zelfstandiger moet zijn. Voor mij was het dat natuurlijk de jaren op het speciaal onderwijs, wat dus best verschilt van een gewone school, wel, maar dat wil in het geheel niet zeggen dat het er vervelend van wordt. Al is het leven van een blinde leerling misschien niet zo indrukwekkend als je dacht, aan blind (geboren) zijn is nauwelijks iets ergs. Blind zijn verveelt dus in elk geval nooit!