Je bent hier:
Home > Visuele handicap > Oriëntatie en mobiliteit > Wat zijn oriëntatie en mobiliteit?

De woordcombinatie "oriëntatie en mobiliteit" wordt vaak gebruikt, alsof de twee woorden samen één begrip vormen. Dat zou je in zekere zin kunnen zeggen, omdat de twee sterk met elkaar verbonden zijn. Toch zijn het twee verschillende begrippen, die elk op hun eigen manier bijdragen aan de zelfstandigheid van mensen.

Oriëntatie

Bij oriëntatie gaat het om het bewustzijn van de ruimte waarin men zich bevindt en de objecten hierin. Hierbij is het belangrijk een idee te hebben van zaken als links en rechts, vooruit, onder, boven enz. Voor blinde en slechtziende mensen, maar ook vaak voor zienden, is het verder van belang geluiden te kunnen localiserenen en verschillen in structuur (vloebedekking, beton, enz.) op te merken. Ook hoort hierbij een idee van verschillende lichaamsdelen. Al deze vaardigheden dragen ertoe bij dat iemand zich bewust is van de relatie die hij heeft tot zijn ruimtelijke omgeving.

Mobiliteit

Mobiliteit heeft te maken met het zich veilig en zelfstandig voortbewegen binnen zijn omgeving. Hierbij is oriëntatie natuurlijk belangrijk, omdat je als je geen flauw idee hebt waar je je in een ruimte bevindt, moeilijk effectief binnen deze ruimte kunt voortbewegen. Maar ook het omzeilen van obstakels en het gebruik maken van herkenningspunten is belangrijk. Hiervoor gebruiken blinden en slechtzienden verschillende technieken.

Welke technieken gebruikt een visueel gehandicapte persoon?

Soms maakt een blinde of slechtziende persoon gebruik van de hulp van een ziende persoon. De visueel gehandicapte pakt dan de arm van de ziende persoon en zorgt dat hij iets achter die persoon blijft lopen. De ziende persoon hoeft niet langzamer te lopen dan normaal; de blinde kan hem op een normaal tempo volgen. Vaak is het wel handig als de begeleider even stilstaat als er een trap aankomt.

Het bekendst is waarschijnlijk wel de witte stok, die een blinde of slechtziende persoon voor zich uit heen en weer zwaait om obstakels te detecteren. Ook kan een stok gebruikt worden om te achterhalen of je langs een gebouw of muur of iets dergelijks loopt: de echo die het tikken van de stok veroorzaakt, kun je hiervoor namelijk gebruiken. Tenslotte is een stok een goed herkenningsteken, omdat mensen zo aan je zien dat je blind of slechtziend bent.

Een geleidehond is een ander goed hulpmiddel bij mobiliteit. Zo'n hond leidt zijn baas om obstakels heen. Hij heeft het voordeel boven de stok dat hij ook obstakels die niet op de grond staan, zoals laag hangende takken, omzeilt. Om een geleidehond te kunnen gebruiken, moet je wel een goede oriëntatie hebben, want je moet je kunnen oriënteren op informatie die niet door een stok wordt gegeven.

De laatste jaren komen er ook steeds meer elektronische hulpmiddelen, die een geluidje geven als er een obstakel of herkenningsteken in de buurt is. Ik heb zo'n ding ooit één keer op mijn hoofd gehad en vind ze vreselijk, maar misschien zijn ze inmiddels beter. De nieuwste uitvinding schijnt een stok te zijn waarin een soort sonar zit, die informatie over de omgeving kan geven.

Gebruik van restvisus

Veel mensen met een visuele handicap hebben nog meer of minder restvisus, dat ze kunnen gebruiken voor oriëntatie en mobiliteit. Hoe de verhouding is tussen het gebruik van wat je nog ziet en de alternatieve techniek, hangt natuurlijk af van hoeveel je nog ziet en hoe goed je dit zicht nog kunt gebruiken. Vaak wordt in mobiliteitslessen op scholen ook aandacht besteed aan het zo effectief mogelijk gebruikmaken van je restvisus.